Het smalle pad

Tekst: Nanning Jan Honingh

In het boek Mijn wilde tuin haalt de schrijver Meir Shalev een Israëlische dichteres aan die het woord ‘heersen’ in een andere betekenis gebruikt.

Geoorloofd volgens Meir, want het woord heersen is een soort containerbegrip dat naast ‘gewelddadig onderwerpen’ ook ‘al lopend een pad uitslijten’ betekent. Deze betekenis kan mij nog steeds ontroeren, omdat het zo volstrekt anders is dan de gangbare christelijke invulling van bossen rooien, akkers ploegen, rivieren kanaliseren en allerlei andere ‘wildernis’ op ‘orde’ brengen.

Toen ik mijn land van melk en honing in de winter van 2007 mocht betreden, heb ik het ingezaaid met allerlei eenjarige en meerjarige kruiden. Met een hooihark, verzwaard met een houten balk ben ik in de vorstige februarimaand een paar honderd keer heen en weer gelopen over de akker om de kluiten te verkruimelen en het zaad een goed kiembed te geven. Als ik er nu ben, loop ik langs vaste routes naar de schuur of akker. Daarbij kruis ik andere paden zoals die van de fazanten die onder de sleedoornbosjes overnachten. Er is een haas die elke dag mijn land verlaat met een sprong over de sloot en later hetzelfde paadje terug volgt. Reebokken markeren met hun hoorns een zwarte els of ratelpopulier op de hoek, zodat de vellen bast erbij hangen. Een paar waterhoentjes trekken dagelijks een spoor door het wier in de sloot. Het geeft mij als ‘heerser’ een tevreden gevoel dat ook de andere schepselen het goed maken.

Zo volgen wij, mensen van de Weg, allemaal het smalle pad dat Jezus over de wereld heeft uitgesleten. Zo zoeken wortels en wormen hun weg in de bodem. Slijten olifanten hun paadjes uit, zwemmen glasaal en walvis langs hun banen door de oceaan, waaien trekvogels met de goede winden mee tussen zomer en winter en cirkelt de maan om zichzelf, de aarde en de zon. En zo ‘beheerste’ Henoch al wandelend met God de gehele aarde.

Reacties zijn gesloten.